"Zo doen we dat hier nu eenmaal"
- Mark Doorn

- 2 jan
- 3 minuten om te lezen
Zodra iemand zegt: “Ja, maar zo doen we dat hier nu eenmaal” haak ik een beetje af en ga ik ‘aan’. Het zinnetje is namelijk zelden een uitleg. Het is een afweermechanisme. Een vriendelijk klinkende manier om het denken te stoppen en verandering buiten de deur te houden. Laat ik helder zijn: ik heb niets tegen tradities…integendeel. Rituelen geven houvast, markeren overgangen en brengen mensen samen. Het probleem begint op het moment dat traditie wordt verward met onaantastbaarheid. Alsof iets automatisch waardevol is omdat het er al was voordat wij er vragen over gingen stellen.

Elk jaar opnieuw wordt het afsteken van vuurwerk verdedigd alsof het een heilig cultureel erfgoed betreft dat hoort bij Oud en Nieuw. Alsof onze voorouders al met knalvuurwerk door de straten trokken. In werkelijkheid is consumentenvuurwerk een relatief recente gewoonte, die in korte tijd is geëscaleerd tot iets dat nauwelijks nog iets te maken heeft met vieren. Angstige dieren, verminkte handen, overvolle spoedeisende hulpen, bedreigde politie, brandweerlieden en ambulancepersoneel, 250 arrestaties en afgebrande kerken — en toch blijft de reflex: afblijven! Niet omdat het zo verbindend is, maar omdat veranderen voelt als toegeven.
Hetzelfde mechanisme zie je bij andere tradities die onder druk staan en worden verdedigd met dezelfde redenering: “zo is het nu eenmaal”. Alsof dat zinnetje zwaarder weegt dan de ervaring van mensen die er al jaren iets anders bij voelen. Alsof tradities geen moreel onderhoud nodig hebben. Pas als de werkelijkheid niet langer te negeren is, blijkt ineens dat aanpassen wel degelijk mogelijk is. Niet zonder weerstand, maar wel zonder dat de wereld instort.
Ook in kleinere, alledaagse rituelen speelt dit. Hoe we feestdagen vieren. Wie we wel of niet uitnodigen. Welke rolpatronen we “normaal” vinden. Wat hoort bij mannelijk of vrouwelijk, bij jong of oud. Wat ‘respectvol’ heet en wat ‘overdreven gevoelig’. Steeds opnieuw verschuilen we ons achter het verleden om het heden niet onder ogen te hoeven zien.
Dat is het ongemakkelijke punt: we verklaren onze eigen jeugd tot norm. Wat wij gewend zijn, noemen we traditie. Wat daarna komt, ervaren we als afwijking. Maar dat is geen cultureel argument, dat is nostalgie ... en nostalgie is een slechte raadgever voor samenleven in een wereld die voortdurend verandert.
Tradities zijn geen museumstukken. Het zijn levende afspraken tussen mensen. Ze zijn altijd aangepast aan de tijd waarin ze werden uitgevoerd: aan oorlog en vrede, aan schaarste en overvloed, aan nieuwe inzichten en andere gevoeligheden. Wie dat ontkent, kent zijn geschiedenis slecht.
Sterker nog: tradities die niet meebewegen, verharden. Ze raken losgezongen van hun oorspronkelijke betekenis en worden lege handelingen, uitgevoerd uit gewoonte of koppigheid. En hoe leger ze worden, hoe feller ze verdedigd moeten worden. Dan gaat het niet meer over verbinding, maar over gelijk krijgen.
De paradox is dan ook eenvoudig: wie tradities werkelijk serieus neemt, durft ze te veranderen. Niet om alles weg te gooien, maar om de kern te behouden. Om opnieuw te vragen: waarom deden we dit ook alweer? En: werkt dat nog?
Dus ja, laten we tradities koesteren. Maar laten we ophouden ze te gebruiken als schild tegen elke vorm van vernieuwing. Want wie bij elke verandering roept “zo doen we dat hier nu eenmaal,” verdedigt niet de traditie — maar zijn eigen angst voor de toekomst ... en angst is een slechte basis voor iets dat ons zou moeten verbinden.
Ik wens u allen een heel voorspoedig Nieuwjaar!

Opmerkingen